Een medische diagnose kan waardevolle informatie geven over de gezondheidssituatie van een cliënt. Toch is een medische diagnose op zichzelf meestal niet voldoende om een verpleegkundige indicatie te onderbouwen. Sterker nog: voor het stellen van een verpleegkundige diagnose is een medische diagnose niet altijd noodzakelijk.
Een veelvoorkomende valkuil is dat in de anamnese uitgebreid wordt beschreven welke aandoeningen een cliënt heeft, terwijl de gevolgen van deze aandoeningen voor het dagelijks functioneren beperkt worden uitgewerkt. Daardoor blijft vaak onduidelijk waarom een cliënt bepaalde zorg nodig heeft.
De medische diagnose is niet de zorgvraag
Een cliënt heeft bijvoorbeeld dementie, Parkinson, COPD of diabetes. Hoewel deze informatie kan helpen om de situatie beter te begrijpen, zegt een diagnose op zichzelf nog niets over de noodzaak van verpleegkundige zorg. Er zijn immers ook veel mensen met dezelfde diagnose die volledig zelfstandig functioneren.
De vraag die centraal moet staan is daarom niet: Welke diagnose heeft de cliënt?
Maar:
- Waarom heeft deze cliënt deze zorg nodig?
- Waarom kan deze cliënt deze zorg niet zelfstandig uitvoeren?
Van medische diagnose naar verpleegkundige onderbouwing
Een goede indicatie laat een logisch verband zien tussen:
- De zorgvraag;
- De beperkingen die hierbij een rol spelen;
- De oorzaak of factoren die verklaren waarom deze beperkingen aanwezig zijn;
- De verpleegkundige diagnose.
Juist deze vertaalslag vormt de basis van verpleegkundig redeneren.
Voorbeeld
Een cliënt met Parkinson heeft ondersteuning nodig bij de persoonlijke verzorging.
De verpleegkundige onderbouwing is dan niet:
Cliënt heeft Parkinson.
Maar bijvoorbeeld:
Cliënt ervaart ernstige tremoren, verminderde balans, verminderde handfunctie en beperkte mobiliteit waardoor het uitvoeren van de persoonlijke verzorging niet zelfstandig mogelijk is.
Pas wanneer de beperkingen inzichtelijk zijn gemaakt, ontstaat een navolgbare verpleegkundige onderbouwing. De medische diagnose helpt om de situatie te begrijpen, maar de indicatie wordt uiteindelijk onderbouwd vanuit de gevolgen die deze aandoening heeft voor het functioneren van de cliënt.
De volgende stap: van onderbouwing naar passende zorg
Daarmee is de indicatie nog niet klaar. Als duidelijk is wat de zorgvraag is, welke beperkingen er zijn en waarom de cliënt deze zorg niet zelfstandig kan uitvoeren, volgt de volgende stap: bepalen welke ondersteuning passend is.
Daarbij is het belangrijk om niet direct vanuit de zorgvraag naar professionele inzet te springen. Eerst wordt onderzocht wat de cliënt zelf nog kan, welke hulpmiddelen of technologie kunnen ondersteunen en welke rol het netwerk kan spelen. Pas daarna wordt gekeken welke professionele zorg noodzakelijk blijft.
Om deze afweging systematisch te maken, kan gebruik worden gemaakt van een stappenmodel dat helpt om stap voor stap toe te werken naar passende en doelmatige zorg.
Meer hierover lees je in het artikel: Van zorgvraag naar passende zorg: De Zelfredzaamheidsladder.
Tot slot
Een medische diagnose is vaak het vertrekpunt van een indicatie, maar zelden de onderbouwing ervan.
De kracht van indiceren zit in het zichtbaar maken van de gevolgen van een aandoening voor het functioneren van de cliënt. Pas wanneer duidelijk is welke beperkingen hierdoor ontstaan en waarom de cliënt bepaalde handelingen niet zelfstandig kan uitvoeren, ontstaat een sterke verpleegkundige onderbouwing en een navolgbare indicatie.